donderdag 30 april 2009

Henri de Toulouse-Lautrec

In zijn jeugd brak deze adellijke graficus en schilder allebei zijn benen op de stomst mogelijke manier: het ene door van een lage stoel te vallen en het andere door in een ondiepe greppel terecht te komen. Het was het resultaat van het feit dat hij aan een ziekte leed die zijn botten buitengewoon broos maakte. Als gevolg hiervan groeiden na de twee valpartijen zijn benen niet meer zoals ze hadden moeten doen en zou hij voortaan als dwerg van iets meer dan 1m50 door het leven gaan.

De grootste inspiratiebron voor zijn werk was de Moulin Rouge in Montmartre. Die was net opgericht en Lautrec was er vanaf het begin bij geweest. In het geweld en de drukte van het cabaret en de dans (waarbij Offenbachs Can-Can en andere muziek door het orkest zo hard mogelijk, oorverdovend, werd gespeeld) had hij vaak maar een paar minuten om scènes vast te leggen, maar daar was hij dan ook een meester in. Hij was een wandelend karikatuur en zijn onderwerpen werden dat ook: vaak schetste hij tussendoor in een paar lijntjes een fantastisch spotprentje en werkte dat uit tot litho's of schilderijen.

Hij moet heel gevat zijn geweest. Een tweetal dames merkte een keer op dat een hond die bij de bar zat er bepaald niet mooi uitzag. De eigenaar van de hond, die de vrouwen niet van de status van zijn hond kon overtuigen, vroeg aan Lautrec: "Zegt u hen alstublieft dat een hond lelijk kan zijn en desondanks een stamboom kan hebben." Lautrec kwam van zijn hoge barkruk af en stelde zich voor aan de dames door een handje, zwart van de houtskool, naar hen uit te steken, met de woorden: "Vertel mij wat!".

Oud werd hij niet: net als Edgar Allen Poe kreeg hij een drankprobleem waarbij de absint hem deliria bezorgde. Op 36-jarige leeftijd stortte hij in en stierf hij een paar dagen later. Zijn vader, excentriek idioot, die de laatste jaren niets meer met hem te maken wilde hebben, moet hem op zijn sterfbed nog hebben bezocht en zou de laatste woorden hebben gekregen. "Ouwe gek."

woensdag 29 april 2009

Wereldtentoonstellingen

De hoogtepunten van de eerste wereldtentoonstelling in Londen (1851), en die in Parijs (1900):

* De Koh-i-noor, de grootste diamant ter wereld op dat moment.
* Een voorloper van het fax-apparaat.
* Javaanse gamelanmuziek.
* Een negerdorpje waarin zwarten ten toon werden gesteld.
* Een reusachtig schaalmodel van de wereldbol.
* Buffalo Bills 'Wild West Show'.

De hoogtepunten van de wereldtentoonstelling vorig jaar in Zaragoza:

* Een watertoren.
* Een aquarium.
* Een show met een ijsberg.

Volgend jaar is Expo 2010 in Shanghai. En dan willen we graag weer eens dingen die ons verbazen. Dieren die we niet kennen, voorwerpen die we nog nooit hebben gezien en apparaten die iets heel bijzonders kunnen.

dinsdag 28 april 2009

Dagsluiting

Eigenlijk geloof ik niets,
en twijfel ik aan alles, zelfs aan U.
Maar soms, wanneer ik denk dat Gij waarachtig leeft,
dan denk ik, dat Gij Liefde zijt, en eenzaam,
en dat, in dezelfde wanhoop, Gij mij zoekt
zoals ik U.

Gerard Reve

Fantastische Symfonie

Het laatste over Berlijn: wat een ge-wel-dig concert zagen we daar in het Konzerthaus. Het huisorkest gaf met Aleksandar Markovic als dirigent een overweldigende uitvoering van 'Episode uit het leven van een artiest' van Hector Berlioz, waarvan de ondertitel beter bekend is bij de kenners: 'Symphonie Fantastique'.

In 5 delen worden scènes geschetst uit het leven van een hoofdpersoon die gekweld wordt door een geliefde die overal opduikt. Met name in de laatste twee delen wordt het interessant: daar raakt hij onder de invloed van opium (dat Berlioz zelf ook zou hebben gebruikt bij het componeren van het stuk) en droomt hij dat hij onthoofd wordt door de guillotine (IV - Marche au supplice) en vervolgens op een heksensabbat (V - Songe d'une nuit de sabbat) terechtkomt, met demonen en tovenaars.

Wat het allemaal zo fascinerend maakt is dat het stuk uit 1830 stamt. 1830! Toen lag de romantische symfonische muziek nog in de luiers! Toen was zowel Beethovens Negende als Anton Bruckner pas 6 jaar in de wereld, Brahms, Dvořák en Saint-Saëns moesten nog geboren worden en van Mahler had al helemaal nog nooit iemand gehoord! Maar wat een muziek kwam er nu al van deze Fransman (goed, er kwamen revisies tot aan 1845, maar dan nog): dit was een thematiek die nog nooit was gebruikt en het stuk had een orkestrale klank die op eenzame hoogte stond en zou blijven staan. Muziek die in die tijd, en nu nog steeds, moeilijk met iets anders te vergelijken valt.

Neem even een kwartiertje, echt, en luister naar het vierde (let op die trompetkanonnade (haha, alsof je die zou missen)) en vijfde deel (let op de kerkklok, vanaf 3:00). En het volume maximaal zetten. Dit is écht iets heel bijzonders.

maandag 27 april 2009

Joods Museum

En iedereen was lovend over het Jüdisches Museum, dus daar moesten we ook heen. Een gebouw in een bliksemschichtvorm dat je via een ondergrondse tunnel betreedt, vol met prachtige visuele vondsten aan de binnenkant. Om daadwerkelijk iets over 2000 jaar jodendom te weten te komen moet je eerst de wil tonen: de tentoonstelling begint op de bovenste verdieping, voor het niet-invalide publiek bereikbaar via een forse trap die feitelijk op een blinde muur uitkomt.

Erg genoeg werden we allebei te veel afgeleid door de vorm en opbouw van het alles om ook nog iets over de inhoud te kunnen zeggen. Die moeten in de ruimten waar geen tentoonstelling is door architect Daniel Libeskind dan ook zo zijn ingevuld dat daardoor eigenlijk automatisch al bespiegeling over Jodenvervolging en antisemitisme plaatsvindt. Hoe dan ook kwam ook de muziek er weer tussendoor: bij het gedeelte met muziek van Joodse componisten was zowaar een lied van Mahler te horen, door hem zelf (!) gespeeld op een pianorol - typisch, als je bedenkt dat hij nu juist het jodendom afzwoer en zich tot het katholicisme bekeerde.

Indrukwekkend was met name de Holocaust-toren: wanneer je binnenkomt valt de deur achter je dicht - zij het niet (meer?) met een klap, zoals men me vertelde - en sta je in een hoge, donkere ruimte. Boven je een ladder waar je niet bij kunt en die naar de vrijheid lijkt te gaan, en helemaal bovenin een streep licht. Eigenlijk moeten ze iets zien te bedenken om helemaal in je eentje in die toren te kunnen staan, zonder de rest van de bezoekers. Een bordje? Een mannetje? Een slagboom?

Dvořák in een jappenkamp

Het werd toch maandag.

In Berlijn spraken we over muziek en leerden we meer over de nasleep van de oorlogen. De overlap kwam toen het gespreksonderwerp Dvořáks Negende Symfonie 'Uit de Nieuwe Wereld' werd.

In het jappenkamp Palembang werden de overlevers van de invasie van Sumatra gevangen gehouden, die kort na de aanval op Pearl Harbor had plaatsgevonden. Het waren Nederlandse, Britse en Australische vrouwen. Hoe het verblijf in die kampen was weten we. Een mensonterende behandeling, veel tropische ziektes en zulk slecht eten dat het Rode Kruis er voedsel heen stuurde dat in eerste instantie bedoeld was voor burgers in oorlogsgebieden.

Maar er was een heel klein lichtpuntje: er was altijd nog muziek. Er kon altijd nog gezongen worden. Margaret Dryburgh was een Presbyteriaans missionaris die de hoop van haar medegevangenen wat kon sterken: blijkbaar had ze een uitstekend muzikaal geheugen en was ze hierdoor in staat de muziek die ze kende, en die eigenlijk voor orkest bedoeld was, te arrangeren voor een (meertalig, maar dat gaf dus niet meer) vrouwenkoor. In 1944 en 1945 gaf ze met wie mee wilde zingen meerdere concerten, voor de rest van het kamp. In die tijd stierf tevens de helft van de zangers. Dryburgh arrangeerde ruim dertig werken op originele en ontroerende manier. Van Händel, Mozart en Beethoven tot Grieg.

Een sopraan nam na haar bevrijding de muziek mee naar Amerika en het kwam tot een opname door een professioneel koor. Met werken als Dvořáks Largo kun je je iets voorstellen bij wat voor een kracht de gevangenen moeten hebben geput uit de concerten.

donderdag 23 april 2009

Kattenfuga

Het lastige bij verhalen waaraan moeilijk te twijfelen valt, maar waar toch niet alle bewijs voor is, is, vind ik, dat je op zeker moment zo zeer gaat willen dat ze waar zijn, dat je niet meer vatbaar lijkt te zijn voor kritiek en je ze voor jezelf maar gewoon als waarheid gaat aannemen. Neem nu dit geval: fuga nummer 30 in g klein, van Domenico Scarlatti. Die heeft een beetje een vreemd thema, althans voor z'n tijd. De reden? Het verhaal wil dat Scarlatti een kat had, Pulcinella genaamd. Die mocht vaak op het klavecimbel heen en weer lopen en een bijzondere keer drukte hij een zestal toetsen achter elkaar in die goed in het gehoor hebben moeten gelegen bij de componist. Het loopje omhoog werd het thema voor de fuga en kwam in vier stemmen terug. Zelf gebruikte hij de titel waaronder hij tegenwoordig bekend staat nooit, maar onder andere Liszt maakte veel promotie voor de fuga door hem met de aanduiding 'kattenfuga' op te nemen in zijn programma's.

Moet je dit nou aannemen of is het toch weer onzin? Die legendes ook altijd...

Hier het originele stuk, en hier een fragment van een jazzy interpretatie, quatre-mains.

Nu naar Berlijn, zondag verder.