Posts tonen met het label Gedichten. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Gedichten. Alle posts tonen

vrijdag 19 maart 2010

Treinmijmering

Met geen woorden wil ik spreken
over dat wat dagen, weken
op volmaaktheid heeft geleken
en dat eeuwig duren zou

't Is de terugkeer van emotie
die mijn aandacht en devotie
bruut verstoort en nooit eens notie
heeft van dat waar ik op bouw

Vraag me niet in droever tijden
die emotie toch te mijden
en niet langer voort te schrijden
in een leven met een vouw

Want voor mij is het een zonde
onverschillig te verwonden:
weet dat iedere seconde
ik me verder voel van jou.

Saul Concha
Vertaling: Donna Galo

dinsdag 23 februari 2010

Liggen in de zon

Ik hoor het licht het zonlicht pizzicato
de warmte spreekt weer tegen mijn gezicht
ik lig weer dat gaat zo maar niet dat gaat zo
ik lig weer monomaan weer monodwaas van licht

Ik lig languit lig in mijn huid te zingen
lig zacht te zingen antwoord op het licht
lig dwaas zo dwaas niet buiten mensen dingen
te zingen van het licht dat om en op mij ligt

Ik lig hier duidelijk zeer zuidelijk lig zonder
te weten hoe of wat ik lig alleen maar stil
ik weet alleen het licht van wonder boven wonder
ik weet alleen maar alles wat ik weten wil.

Hans Andreus

donderdag 4 februari 2010

Iris

Der eerwaarde jonkvrouwe Joanna C. B.

`Ik ben geboren uit zonnegloren
En een zucht van de ziedende zee,
Die omhoog is gestegen, op wieken van regen,
Gezwollen van wanhoop en wee.
Mijn gewaad is doorweven met parels, die beven
Als dauw aan de roos, die ontlook,
Wen de Dagbruid zich baadt en voor 't schuchter gelaat
Een waaier van vlammen ontplook. -

Met tranen in 't oog, uit de diepte omhoog,
Buig ik ten kus naar beneden:
Mijn lichtende haren befloersen de baren
En mijn tranen lachen tevreden:
Want diep in zee splijt de bedding in twee,
Als mijn kus de golven doet gloren...
En de aarde is gekloofd en het lokkige hoofd
Van Zefier doemt lachend naar voren.
Hij lacht... en zijn zucht blaast, mij arme, in de lucht
En een boog van tintlende kleuren
Is mijn spoor, als ik wijk naar het dromerig rijk,
Waar ik eenzaam om Zefier kan treuren.
Hij mint me als ik hém... maar zijn lach, zijn stem,
Zijn kus... is een zucht: wij zwerven
Omhoog, omlaag; wij wíllen gestaâg,
Maar wij kunnen nóch kussen, nóch sterven. -

De sterveling ziet mijn aanschijn niet,
Als ik uitschrei, hoog boven de wolken,
En de regenvlagen met ritselend klagen
Mijn onsterflijken weedom vertolken.
Dan drenkt mijn smart het dorstende hart
Van de bloem, die smacht naar mijn leed
En met dankenden blik naar mij opziet, als ik
Van weedom het wenen vergeet.
En dán verschijn ik door het 't nevelgordijn -
Dat mijn Zefier verscheurt, als hij vliegt -
Somber gekromd... tot de zonneschijn komt
En 't rag mijner wieken zich wiegt.
Dán zegt op aarde, wie mij ontwaarde:
"De goudene Iris lacht!"...
En stil oversprei ik vale vallei
Met een gloed van zonnig smaragd. -

Mijn handen rusten op de uiterste kusten
Der aarde als, in roerloos peinzen, -
Eén' bonte gedachte - ik mijn liefde verwachtte...
Die mij achter de zon zal doen deinzen. -
'k Zie 's nachts door mijn armen de sterren zwermen
En het donzige wolkengewemel
En de maan, die mij haat en zich koestert en baadt
In de zilveren lach van den hemel. -
Mijn pauwepronk... is de dos, dien mij schonk
De zon, om de stervling te sparen,
Wien mijn lichtloze blik zou bleken van schrik
En mijn droeve gestalte vervaren.
Nu omspan ik den trans met mijne armen van glans
Tot mij lokt Zefier's wapprend gewaad
En ik henenduister naar 't oord, waar de luister
Der lonkende zon mij verlaat. -

Ik ben geboren uit zonnegloren
En een vochtige zucht van de zee,
Die omhoog is gestegen, op wieken van regen,
Gezwollen van 't wereldse wee. -
Mij is gemeenzaam, wie even eenzaam
Het leven verlangende slijt
En die in tranen zijn Vreugde zag tanen...
Doch liefelijk lacht, als hij lijdt!' -

Jacques Perk

vrijdag 22 januari 2010

Prlwytzkofsky

Onwetenschappelijk
Wichtige heerschappen
Schreven schoon boeken vol
Over der Boml

Praw, alles is ja gans
Buitenordentelijk
Maar het is meestens
Onheemlijker roml

Ivo de Wijs

(prof. dr. dr. dr. Zbygniew Prlwytzkofsky is de geleerde uit de Bommelverhalen van Marten Toonder, die in pseudo-germanismes praat. "Der naam is Prlwytzkofsky. Met ener z in der midden. Der goede dag.")

dinsdag 12 januari 2010

Redding

Eens, eens maar tradt ge op mijn eksterogen
Toen ge op de dansvloer zweefdet me voorbij.
Uw lieflijk sorry heeft me 't hart bewogen,
Mij vuilnisbelt der mensenmaatschappij.

Ik zag u na met blikken opgetogen,
Riep: 'Herrgottssakrament, hoe schoon is zij,'
En was u zeker achterna gevlogen,
Had niet een goede vriend, mijn razernij

Bijtijds bespeurend, met twee sterke handen
Mijn lenden als een octopus geknepen.
Ik heb ontroerd zijn forse vuist gegrepen,

Daar dankb're tranen in mijn ogen brandden,
En 'k grif bekende mijn belach'lijk zwak:
Geen gave boot vaart met een redd'loos wrak.

F. Bordewijk
uit: Sonnetten met Gemengde Gevoelens

vrijdag 8 januari 2010

De uiterste seconde

Voor Ans

Doodgaan is de kunst om levende beelden
Met evenveel gelatenheid te dulden
Als toen zij nog hun rol in ’t leven speelden,
Ons soms verveelden, en nochtans vervulden.

Hier stond ons huis; hier liep zij met de honden;
Hier maakte zij de bruine halsband los;
Hier hebben wij de stinkzwammen gevonden,
Op een beschutte plek in ’t sparrenbos.

Doodgaan is niet de aangrijpende gedachte,
Dat zij voortaan alleen die paden gaat, –
Want niemand is alleen die af kan wachten,
En niemand treurt die wandelt langs de straat, –

Maar dit alles wàs: een werk’lijkheid,
Die duren zal tot de uiterste seconde;
Dit is de ware wedloop met de tijd;
De halsband los, en zij met de twee honden.

Simon Vestdijk

woensdag 30 december 2009

Winterhout

Alom, aan de ronde zomen
van het rustig vergezicht,
aan de lage damp ontkomen,
aan de oever van het licht,
achter 't levendig gewemel
van de daken, op het goud
van de uitgespannen hemel
opgericht, is 't winterhout.

Hoog over de lege tuinen
staat het, zuiver afgerond,
met zijn vederige kruinen
op tegen de avondstond,
met zijn neergebogen takken,
met zijn twijgen, teer en sterk
en volledig, op de zwakke
weerglans in 't namiddagzwerk.

Met de roerloze verschijning
van zijn hoge statigheid,
met de zekere belijning
van zijn wasdom, uitgebreid
op de stilte, over een hoeve
rijzend of om een gehucht,
is 't aanwezig in de droeve
leegheid van de winterlucht.

Maar inwendig, in de gave
taaie vezel van zijn stam,
is 't of iets, dat lang begraven
lag, opnieuw tot uiting kwam,
of iets, dat zich had begeven,
uit zijn diepste wezen tot
de verlokking van het leven,
tot het licht naar buiten bot.

Eer zich elders iets vertonen,
eer men iets vermoeden zal
wordt het in zijn wijde kronen
donkerder en dichter al,
wordt het voller in den bleke
omtrek van zijn duisternis,
als het allereerste teken
van wat vast in aantocht is.

Jan Prins

donderdag 24 december 2009

Solliciteren

Nog nooit zo tergend opgegeten
als tijdens dit gesprek
door een driedelige gedaste bidsprinkhaan.

Woorden stuiten op tafel, knikkers vallen
op een glasplaat. Hij neemt slokken
van mijn levensloop en boert onaangedaan.

Hij rolt mij in. Hij steekt mij aan
en rookt mij op. Dan mag ik gaan.

Later belt men mijn stoffelijk overschot.
Ik heb de baan.

Ingmar Heytze

dinsdag 22 december 2009

Onrust

Dichter die uw laatste vragen
Stellen zult wanneer gij sterft,
Antwoord zonder zelfbehagen
Welk een leed uw geest doorkerft

Dat gij nooit tevree kunt zwijgen -
Of ge uit iedre schemering
Bleke maan van angst ziet stijgen
Die uw mond tot klachten dwing'.

"Bleke maan niet, maar het weten
Dat mij, reizende in de nacht,
's Morgens weer een ongeweten,
Grijs of kleurig, landschap wacht,

Maakt mij angstig niet, maar rustloos,
Daar mijn droom vooruit wou zien
En nu raadselblind en lustloos
Mat wordt van 't herhaald misschien.

De ochtend komt: de klare stralen
Leevren mij het ware beeld,
Eindlijk kan ik ademhalen
Heel de dag tot d'avond geelt."

Albert Verwey

dinsdag 15 december 2009

Eilanden

In mijn boek met sprookjes stond een plaatje:
Jij en ik op 'n toren bij een strand.
Kom weer in de wind staan, en ik laat je
kijken langs mijn uitgestrekte hand.

Waar de golven naar de verte rollen
en verdampen, zie je in een waas
eilanden van zaligheid, als bolle
violette broden voor de Paas.

Want gevleugelde persoonlijkheden
hebben ze van extra lekker zand
met hun gouden vingers zitten kneden
en gebakken op de hemelrand.

Daar moet al het moois zijn dat we zoeken,
en daarheen vertrokken wij alras,
als het niet zo sneu van onze boeken,
onze hond en onze liefde was.

Vladimir Nabokov
Vertaling: Anne Stoffel

zondag 6 december 2009

Ollekebolleke

Gisteren schreef ik namens de Sint een gedicht in 6 ollekebollekes, een van oorsprong Amerikaanse versvorm uit de jaren '50, waarvan in het Nederlands met name door Drs. P. gebruik gemaakt is. Ik heb het idee dat je ze niet heel vaak ziet en dat zou prima kunnen komen door de eisen die eraan worden gesteld. Mijn pogingen beantwoordden alleen aan die voor het metrum en niet aan wat de inhoud betreft, maar als je het echt goed doet wordt het zoals in het voorbeeld van Drs. P.:

Dactylus! Dactylus!
Olleke bolleke
Tweemaal vier regels
Die rijmen aan 't slot

Kreet, naam en één woord met
Zeslettergrepigheid
Moeilijk te maken, maar
Wat een genot!

Valt inderdaad nog niet mee om het goed te doen (er zijn ook eisen voor wanneer een zin in opeenvolgende regels mag doorlopen en wanneer niet), maar hier hebben ze flink huisgehouden en staan genoeg voorbeelden. Een van de mooiere voorbeelden waarin ook de klemtooneis grappig duidelijk wordt vond ik in:

Vlinder- en kindervriend
Vladimir Nabokov...
Lezer uw uitspraak doet
Pijn aan mijn oor.

Volgens de Russische
Intelligentsia
Moet het Vladimir
Nabokov zijn hoor!

Nu kwam ik er achter dat Drs. P. ook zo ver is gegaan om de Odyssee (!) te herschrijven in ollekebollekes. Moeilijk te vinden online (ik kan hem althans nergens bestellen), dus dat wordt afwachten en per ongeluk vinden.

(Overigens vertelde ex-Dichter des Vaderlands Driek van Wissen een keer dat hij met bevriend dichter Jean-Pierre Rawie en Drs. P. een keer een avond lang alleen in ollekebollekes had gepraat. Op den duur heet het virtuoos.)

woensdag 2 december 2009

Duifje

Zomers
in het gras
om vier uur 's middags
en net als de wolken
nergens naar toe -

zo zou het zijn
om tegen je aan te liggen
met m'n neus in je hals
en de warme wind
van je vingers
die door m'n haar
streelt.

Homme Piest (1965 - 2000)

dinsdag 15 september 2009

November

Het regent en het is november
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.

En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.

De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is alengs geen onderscheid
Meer tussen dove erinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.

Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.

J.C. Bloem

zondag 6 september 2009

Oote

Oote oote oote
Boe
Oote oote
Oote oote oote boe
Oe oe
Oe oe oote oote oote
A
A a a
Oote aaa
Oote oe oe
Oe oe oe
Oe oe oe oe oe
Oe oe oe oe oe
Oe oe oe oe oe oe oe
Oe oe oe etc.
Oote oote oote
Eh eh euh
Euh euh etc.
Oote oote oote boe
etc.
etc. etc.
Hoe boe hoe boe
Hoe boe hoe boe
B boe
Boe oe oe
Oe oe (etc.)
Oe oe oe oe
etc.
Eh eh euh euh euh
Oo-eh oo-eh o-eh eh eh eh
Ah ach ah ach ach ah a a
Oh ohh ohh hh hhh (etc.)
Hhd d d
Hdd
D d d d da
D dda d dda da
D da d da d da d da d da da
da
Da da demband
Demband demband dembrand dembrandt
Dembrandt Dembrandt Dembrandt
Doe d doe d doe dda doe
Da do do do da do do do
Do do da do deu d
Do do do deu deu doe deu deu
Deu deu deu da dd deu
Deu deu deu deu

Kneu kneu kneu kneu ote kneu eur
Kneu kneu ote kneu eur
Kneu ote ote ote ote ote
Ote ote oote
Ote ote
Boe
Oote oote oote boe
Oote oote boe oote oote oote boe

Jan Hanlo

zondag 30 augustus 2009

Grote Beuk

Hij is het zwijgen rechtop de hemel in;
de wind, de hitte en regen hieuwen zijn stam
en takken, zijn wortels als houten fonteinen
wellend uit de bronnen. Alle seizoenen

krijgen kwartier, hij is het opgetaste
korte en lange jaar, in de zomer fluistert
nog de witte sneeuwjacht in zijn blad en bronzen
herfst omarmt stormend zijn schors in de meimaand.

Toen de bleke, felle bliksems kwamen die hun
harpoenen plantten in jouw hart en vier takken
woedend versplinterden, sapstromen dempten

die opstijgen wilden na de winter, wachtte,
grote beuk, achter je de kuil (doodkalm kraken
slaapt in het veld) slechts voor jou daar gegraven.

H.H. ter Balkt

zondag 2 augustus 2009

Licht

Er stroomt door mijn gemoed in stormend klateren
Een wilde zee, waarop ik rijs en daal, -
Een drup... een englen-blik, maar elke straal
Danst als het springen van bezeten sateren.

Ik hoor demonen uit de diepten schateren,
Schel door der serafijnen rein koraal,
En hel-geloei dooreen met hemel-taal
Mengt zich in 't ziedende geklots der wateren.

O, lust! daar over mij de branding slaat,
Bij 't doffe bruisen der ontroerde baren,
Te zien hoe 't Leven om mij heen vergaat, -

Maar Liefde niet, en midden in het staren
Op 't rustig stralen van uw klaar gelaat,
Vereend met u, ter eeuwigheid te varen...

Willem Kloos

dinsdag 28 juli 2009

De wolken

Ik droeg nog kleine kleren, en ik lag
Lang-uit met moeder in de warme hei,
De wolken schoven boven ons voorbij
En moeder vroeg wat 'k in de wolken zag.

En ik riep: Scandinavië, en: eenden,
Daar gaat een dame, schapen met een herder -
De wond'ren werden woord en dreven verder,
Maar 'k zag dat moeder met een glimlach weende.

Toen kwam de tijd dat 'k niet naar boven keek,
Ofschoon de hemel vol van wolken hing,
Ik greep niet naar de vlucht van 't vreemde ding
Dat met zijn schaduw langs mijn leven streek.

- Nu ligt mijn jongen naast mij in de heide
En wijst me wat hij in de wolken ziet,
Nu schrei ik zelf, en zie in het verschiet
De verre wolken waarom moeder schreide -

Martinus Nijhoff

dinsdag 21 juli 2009

Der Zauberlehrling

Net als Shelleys Frankenstein ontstond ook Goethes Der Zauberlehrling uit een vriendschappelijk letterkundig wedijveren: in duel met Schiller schreef de Duitse halfgod in 1797 meerdere werken, waaronder de ballade over een tovenaarsleerling die met zijn magie de bezem en emmers betovert om de vloer schoon te krijgen. Goethe baseerde zich op de raamvertelling Philopseudes van Lucianus van Samosata, uit de 2e eeuw na Christus, en schreef een gedicht dat trouw aan dat verhaal bleef en twee regels bevatte die nu een populaire uitdrukking in de Duitse taal vormen voor wanneer je in een voor jezelf onbeheersbare situatie terecht bent gekomen: Die ich rief, die Geister, werd ich nun nicht los. De naam van de ballade werd zelfs die voor een computerfout: er wordt gesproken van Sorcerer's Apprentice mode wanneer receipts op e-mails van zichzelf weer nieuwe receipts doen zenden en een oneindige lus ontstaat van verzonden e-mails. Paul Dukas, Frans componist rond de eeuwwisseling van 1900, maakte op zijn beurt van Goethes ballade een symfonisch scherzo, waarover zowel het publiek als hij zo tevreden was dat hij het - in tegenstelling tot het grootste deel van zijn werk - nu eens niet verbrandde en dat uitgroeide tot het bekendste werk dat hij ooit schreef.

Hier de transcriptie voor twee piano's, van de hand van Dukas. (Vertalingen voor 1 piano probeerde ik ooit uit: onspeelbaar, welke je ook vindt.)

maandag 20 juli 2009

Een kraai bij Siena

Hoe een kraai vliegt over de heuvels
bij Siena: een verkreukelde zwarte lap
boven het koperen landschap.
Werkt zich rot, denk je van onderaf,
met die averechtse vleugels.

Door de kijker zijn slimme snavel,
zijn eigenwijs hoofd: hij lapt
het toch maar. Niet de begaafde
vlechtwerken boven de stad
van de zwaluwen - hij blijft een aardse

zitter, die heeft gedacht:
waarom zij wel verdomme? en is opgestegen
om zich verbaasd te begeven
naar dit veel te grote blauw.

Hoe zich deze woorden bewegen
ongeveer van mij naar jou.

Willem van Toorn

zondag 12 juli 2009

Bloedgang

Er is het onderhuids verraad
dat elk verweer aan stukken slaat
mijn verweer -- het geweer
op mijzelf gericht
de eigen klap
in het eigen gezicht
de opgebroken straat
het huis dat aan het water staat
herinnering
aan het foetus-zijn:
de deur intrappen met ogen dicht
en reeds het bankroet van de laatste snik
de laatste adem
het laatste gedicht

Simon Vinkenoog (1928 - 2009) (hier werd hij 80)